Wie, wat of waar is God?

Wat moet je je voorstellen bij ‘God’? Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat ook als christen en als predikant lastig vindt. Maar wat bedoel ik dan, als ik het over God heb?

Afbeeldingsresultaat voor god

Ik hoorde iemand God eens omschrijven als ‘dat mannetje  in de hemel’. Ik denk dat dat een goede omschrijving is van een beeld dat veel mensen bij God hebben. God als een mythisch wezen. Waar mensen vroeger in geloofden. Toen ze ook nog geloofden in bosgeesten, elfjes of kabouters. Toen mensen nog meenden dat de bliksem goddelijke pijlen uit de hemel waren.  Maar die tijd is voorbij. God als persoon vind ik maar moeilijk voorstelbaar. Is dat niet iets voor kinderen: zoals die ook geloven in Sinterklaas of een onzichtbare vriend(in) hebben?

Ik denk zelf bij God daarom vaak aan het Goede, de Schoonheid, het Ware. Aan de Liefde tussen mensen, de Liefde voor muziek, de natuur, de wetenschap, de kunst. God is samenzijn met anderen, de gezelligheid, de verbondenheid, het genieten van het lichaam in vrijen, in sport en spel. Dat alles is God of moet ik zeggen: daarin is God? Want als God in die dingen opgaat, dan is ‘God is goed’ slechts een tautologie. ‘God is liefde’ zegt dan niets nieuws, want het goede is God en God is het goede. Of de liefde is God en God is de liefde. Waar zouden we dan nog het woordje ‘God’ voor gebruiken?

Dat heeft alleen zin als God ook nog meer is dan wat wij zien en ervaren. Hij (zij?) is niet alleen het Goede en de Liefde, maar is er ook de Bron van. God is dan ook een geheim. Iets of Iemand die daar achter dat alles is.

De Bijbels zegt ‘niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon… heeft Hem doen kennen’ (Johannes 1:18). In Jezus Christus leren volgens het christelijk geloof wij God kennen. Dat betekent dat God ook een persoon is. Maar om van God niet een al te simpele kinderlijke projectie te maken – nergens in de Bijbel staat dat wij moeten geloven als kinderen! – is het van belang het eerste deel van die uitspraak niet te vergeten ‘niemand heeft ooit God gezien’. Johannes voegt er in zijn eerste brief aan toe: ‘maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons’ (1 Johannes 4:12). Dus inderdaad: God is in ons als we verbonden zijn aan elkaar als mensen. In dat goede ervaar ik iets van God.

De gevaarlijke ketterij van verlosser Thierry Baudet

Vanuit mijn toch grotendeels links-christelijke wat intellectuele bubbel was ik verbijsterd door de overwinning van Baudet en de zijnen. Wat brengt mensen ertoe voor deze partij te stemmen? (‘Op deze man’ wilde ik schrijven, maar dat kon in dit geval niet.) Om niet bijna een op de vijf stemmers zomaar als achterlijk af te schrijven, heb ik geprobeerd rustig naar zijn overwinningsspeech te luisteren. Dat luisteren is me gelukt, maar erg rustig kon ik er niet onder blijven.

Ik moet toegeven, ik begrijp het een stuk beter. Ik begrijp dat Baudet niet alleen aantrekkelijk is zoals zoveel narcisten dat zijn door hun manier van doen, maar ook door wat hij zegt. En daar werd ik erg onrustig van. Allereerst maakt hij indruk met zijn preek tegen de ketterij van de bestuurders en het sociale, culturele en politieke klimaat. Juist het gebruik van het soort woorden dat verwacht in een preek – ‘ongeloof’, ‘ketterij’, ‘altaar’, ‘vereren’, ‘afgod’ – raakt een snaar. Het zijn geen platte technocratische redeneringen, maar Baudet wil iets diepers aanspreken. Het hart, de liefde, het verlangen. Baudet is in zijn toespraken domineeser dan de meeste dominees die ik ken. Baudet geeft af op het feit dat de leden van ‘het kartel’ in niets geloven, ze leven in ‘het spirituele vacuüm’, het gebrek aan liefde voor cultuur, land en geschiedenis. De bestuurders en de cultuurdragers – onderwijs, universiteit, kunstenaars – verkwanselen ‘onze’ belangrijke waarden. Ze geloven nergens meer en lijden slechts aan een schuldgevoel, aan zelfhaat. Daarom offeren ze 1000 miljard Euro op aan de afgod van de transitie, terwijl de aarde er niets beter van wordt. Daarom verkwanselen ze ‘onze’ cultuur.

Baudet verlost van dat schuldgevoel en laat zijn hoorders weten ze zich niet langer schuldig hoeven voelen over hun al dan niet openlijk geuite angst en afkeer voor de vreemdeling, voor dat wat anders is. Ook schuldgevoel over aantasting van het milieu is niet nodig. We moeten weer leren trots te zijn. En niet alleen dat. Daarvoor moest gevochten worden. Daarvoor moeten wij naar het front trekken. Daarvoor moeten wij de vijand verslaan om onze Boreale cultuur te beschermen. Om het straatbeeld qua architectuur en qua mensen die daar lopen weer echt van ‘ons’ te laten zijn.

Baudet is slim genoeg om zich niet te vereenzelvigen met fascisme, maar gaat een flirt niet uit de weg. Hij heeft het over onze ‘boreale’ beschaving, een term die o.a. Le Pen gebruikte voor zijn racistische ideeën. Desgevraagd door het AD zegt Baudet dat hij het een mooie term voor het licht vindt dat vanaf de Noordpool schijnt en daarom ‘een mooie, poëtische aanduiding van de westerse wereld’. Baudet vergist zich of probeert zich eruit te kletsen want Aurora Borealis = Noorderlicht, waarbij Borealis ‘noordelijk’ betekent. Ik geloof niet dat Baudet het woord ‘zomaar’ gebruikt. Daar heeft hij goed over nagedacht, net zoals over zijn hele toespraak.. Baudets verhaal doet denken aan toespraken uit de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Ook toen werd met name in Duitsland de politieke en culturele elite gehekeld. Zij zouden het land verkwanseld hebben, nergens meer in geloven. De zon leek bezig onder te gaan, zoals dat nu ook volgens Baudet het geval is. En daarvoor was er een nieuwe beweging van mensen die weer ergens in geloofden. Een beweging die door miljoenen werd gevolgd, omdat die het hart, de liefde het verlangen van mensen aansprak.

Dat doet Baudet ook: liefde, verlangen en het hart aanspreken. Het gaat niet alleen om angst maar ook om een groot ideaal: liefde voor cultuur en geschiedenis. Daarbij verlost hij zijn aanhangers van hun schuldgevoelens en ze roept ze tenslotte tot strijd, het gevecht aan het front. Ook dat laatste heeft meermalen eerder in de geschiedenis geklonken.

Ik geloof met Baudet dat er in onze cultuur en samenleving vaak een spirituele leegte is. Ik herken de schuldgevoelens en het verlangen me ergens met hart en ziel voor in te zetten. Gevaarlijke ketters weten iets in ons aan te boren wat er echt is. Maar de weg van Baudet is een doodlopende dwaalweg. Verlossing van schuldgevoelens, misschien. Maar verlossing van schuld zo zeker niet. De god die Baudet wil aanprijzen lijkt mij teveel op het beest dat al te vaak en al te veel mensen heeft verpletterd en verslonden.

‘Omdat ik van God houd’

‘Waarom studeer je theologie?’
‘Omdat ik van God houd.’

Ik praat met de vrouw van de evangelist en leider van een klein kerkgenootschap in Zuid-Azië met wie ik de training over preken leidt. Voordat haar kind geboren is, kreeg ze thuis privéles van een bijbelschooldocent. Als haar kind iets groter is, hoopt ze ermee verder te gaan. Engels spreekt ze maar mondjesmaat en misschien dat er ook daardoor zo’n eenvoudig en indrukwekkend antwoord komt ‘omdat ik van God houd.’ Ik vraag me af of ik in Nederland een theologiestudent dat wel eens zo heb horen zeggen.

Ze studeert ook theologie om haar man te kunnen bijstaan. Hoewel het hier in sommige opzichten op Nederland lijkt – er is prima wifi, het televisietoestel in de logeerkamer is groter dan het scherm bij ons in de huiskamer – is heel veel toch echt anders. Zo zit tijdens de training bijna iedereen op de grond, alleen de ouderen krijgen een stoel en ik. Want ik ben te gast en de trainer. Ik besluit mijn Nederlands allergieën voor standen te negeren te negeren in de hoop dat ik dan meer bereik dan door hen direct voor het hoofd te stoten door deze gastvrijheid niet te aanvaarden. Soms is dat overigens wel lastig: als we eten, zit ik aan tafel met mijn co-trainer. Zijn vrouw staat bij ons om ons te bedienen. Dat hoort zo. Net zoals dat de paar vrouwen die de training ook volgen vrijwel alleen iets zeggen als hen iets wordt gevraagd.

Maar goed, ik ben niet gekomen om dat even te veranderen. En bovendien, bij ons is niet alles beter? Overal in Zuid-Azië waar ik geweest ben is het eten beter dan in Nederland. Dat is eenvoudig te verklaren. Hier wordt uren gewerkt om een maaltijd te bereiden. En dat proef je absoluut. Is het zo’n vooruitgang dat wij het te druk hebben met werk buitenshuis, sociale media en onze hobby’s, dat we voor goed eten veel minder tijd hebben? En ja, ik vraag me tegelijkertijd af of de vrouwen die hier uren in de keuken zitten misschien ook niet liever buitenshuis zouden willen werken.

Maar ik dwaal af. Ik vertelde dat de vrouw van de evangelist theologie studeert om haar man te helpen. Hij bezoekt het platteland om mensen over Jezus te vertellen. Dat is letterlijk wat hij doet. Hij komt in dorpen waar de mensen meestal moslim zijn. Hij vertelt hen verhalen over Jezus, vaak vanuit de Koran. Hij laat zien dat Jezus veel wonderen deed en mensen genas, terwijl Mohammed dat volgens de Koran lang zoveel niet doet. Zo raken mensen geïnteresseerd in Jezus. Tegelijk is dit een gevaarlijke missie. Hoewel de overheid christenen beschermt, kun je als christen omdat je over Jezus vertelt in elkaar geslagen of zelfs gedood worden door moslims. Moslims die christen worden, wachten meestal ook lange tijd voor ze het hun familie durven vertellen. De consequentie is dan vrijwel altijd, dat hun familie niets meer van hen weten wil.

De deelnemers van de training die ik geef zijn voor een deel zelf christenen die vroeger moslim waren en zij delen het evangelie met moslims. Zij hebben vaak iets van dezelfde eenvoud als de vrouw van de evangelist. Hun liefde voor God en Jezus is sterk. En dat moet wel in een situatie waar christenen een kleine minderheid vormen, bedreigd en lastig gevallen worden en waar veel kerken leeg staan. In het verleden zijn er heel wat kerken gebouwd en mensen gedoopt, maar volgens de evangelist zijn de mensen niet verder onderwezen en getraind en worden kerkgebouwen nu gebruik als opslagplaatsen. Ik ben blij dat de training die ik geef deel uitmaakt van het TLT programma dat Verre Naasten hier organiseert. Die kan zeker helpen christenen verder te vormen.

Veel deelnemers ontbreekt het aan kennis en vaardigheden. Zo zijn ze erg blij met de training over preken, omdat ze zich realiseren dat eigenlijk niet goed weten hoe ze een preek moeten maken. Wat ze vaak doen is steeds weer een andere Bijbeltekst lezen en daar kort iets over zeggen of een verhaal bij vertellen. Dat kan eindeloos duren en veel richting zit er vaak niet in. Een van de deelnemers zegt opgelucht na de training: ‘Ik hoef helemaal niet zoveel verhalen te kennen om te vertellen in de preek, ik heb geleerd om gewoon uit de Bijbel te preken.’ Ik hoop dat ik naar Nederland iets mee kan nemen van zulke eenvoudige verwondering.

Hoe lang blijft dit nog bestaan?

Afgelopen zondag was ik vrij. Ik bezocht ook een andere kerk. Het was een mooi oud gebouw dat al stamde uit de Middeleeuwen. Afbeeldingsresultaat voor kerkverlatingDuizelingwekkend om te bedenken hoeveel mensen er al die eeuwen die kerk bezocht hadden. Hoeveel kinderen er gedoopt zijn, hoe vaak er getrouwd is, hoeveel mensen er vanuit die kerk begraven zijn. Honderden jaren heeft het geduurd, maar tijdens de kerkdienst vroeg ik me af of dat niet binnenkort afgelopen zou zijn.

Er was in de kerkdienst een speciaal moment voor de kinderen. De predikant deed het prachtig, maar er waren helaas niet meer dan drie kinderen in de kerk. Mijn zoon had even daarvoor al geconcludeerd dat hij de enige tiener in de kerk was. Voorin de kerk zat de kerkenraad. Het jongste kerkenraadslid leek me iets ouder dan ik. Wat zou er over tien of twintig jaar nog van deze kerk over zijn?

In mijn eigen stadje is al een kerk gesloten waar sinds de 12e eeuw elke zondag kerkdiensten werden gehouden. Nu zijn er af en toe nog bijzondere diensten of evenementen, maar vaak is hij ‘gewoon’ dicht op zondag. Het is een klein drama dat zich in veel kerken in Nederland al veel eerder afspeelde. De kerk waar ik werk, lijkt nog anders. Bij het kindmoment in de kerkdienst komen er tientallen kinderen naar voren. Zondagavond komen er tientallen jongeren voor ‘M8ig’. Ze ontmoeten elkaar en zijn onder leiding van betrokken vrijwilligers bezig met het geloof.

En toch. Ook bij ons is het niet meer als vroeger. In de kerkdiensten zitten er tegenwoordig ’s ochtends net zoveel mensen als er twintig jaar geleden ’s middags waren. We doen de middagdiensten nu samen met een andere kerk, en is de kerk nog niet halfvol. Steeds meer jongeren haken af. Tot een jaar of 16 doen de meesten nog wel aardig mee. Maar daarna verdwijnen er steeds meer buiten beeld. Het is niet langer vanzelfsprekend om belijdenis te doen, om naar de kerk te blijven of te geloven. En zelfs degenen die blijven lijken een veel minder sterk commitment te hebben dan vroeger: al jaren lukt het niet meer om bijvoorbeeld genoeg ouderlingen voor de kerk te vinden. Ziet onze kerk er over 20, 30 jaar net zo uit als de kerk waar ik zondag was? Of gaat het misschien nog veel sneller?

Dit jaar heb ik van de kerkenraad tijd gekregen om na te denken over de plek van jongeren in de gemeente. Op een bijeenkomst met jeugdwerkers van andere kerken in Kampen hoorde ik hetzelfde verhaal: jongeren vanaf een jaar of 16 haken af. Kun je ze erbij houden? Moet je dat wel proberen? Is de keuze niet aan hen? Kunnen we kerk zijn ook met oog op de toekomst, waar we nu al jongeren een belangrijke plek bieden om met ons te leren geloven?

Dat zijn zo wat vragen waar ik over nadenk en vooral ook met jongeren, jongerenwerkers, ouders en anderen over in gesprek ga om te ontdekken of en zo ja wat we dingen anders moeten doen. Daarnaast probeer ik me ook te oriënteren door te lezen. Zo lees ik op dit moment Growing Young en de blogs die daarover verschenen bij het Praktijkcentrum. Ik geloof niet in (simpele) oplossingen, maar ben wel op zoek naar wat we als kerk voor en met jongeren kunnen betekenen. Om mijn gedachten, ervaringen en indrukken te ordenen hoop ik daar de komende tijd wat meer over te schrijven.

Buma, de Joods-Christelijke identiteit en het volkslied

Afbeeldingsresultaat voor volksliedDe laatste tijd lijkt het weer ok om het als politicus te hebben over christelijk geloof.  Of in elk geval over ‘de Joods-christelijke’ wortels of traditie. Ik vind het voor een deel ook wel een goed verhaal. Onze identiteit is dat iedereen gelijk is, dat iedereen mee mag doen, dat we niemand om geloof, ras, genderidentiteit, sekse, etc. uitsluiten. Je hoeft geen christen te zijn om die waarde hoog te houden, maar je kunt – ondanks alle uitsluiting door de kerk en door christenen – zeggen dat deze waarde diepe christelijke wortels heeft.

Meermalen heb ik meegemaakt dat mensen uit Azië of Afrika mij diep onder de indruk zeiden dat Nederland toch werkelijk een christelijk land is. Iedereen die ziek is kan in het ziekenhuis geholpen worden. Elk kind kan naar een goede school. Wie niet voor zichzelf kan zorgen heeft recht op hulp en uitkeringen. Dat is niet afhankelijk of je wel bij de goede kaste of familie hoort, of je wel genoeg geld hebt, genoeg macht, maar dat geldt voor iedereen. Dat vonden verschillende van mijn gasten typisch christelijk en misten ze in hun eigen land. Christenen geloven toch dat elk mens gelijk is voor God. Dat alle mensen geschapen zijn als Gods evenbeeld en dat Jezus gekomen is voor alle mensen?

Je kunt het ook uit de praktijk van een deel van de christelijke traditie aanwijzen: ziekenhuizen en verzorgingstehuizen waar iedereen die ziek is ongeacht positie of financiële middelen welkom is, zijn ‘uitvindingen’ van kerken en kloosters. Voor mensen die niet voor zichzelf konden zorgen was er hulp van de diaconie. Helaas ging die hulp van de kerk ook vaak samen met machtsspelletjes en zelfverrijking van bestuurders. Niets menselijk is kerkmensen vreemd. Het was vroeger wat dat betreft niet beter dan vandaag. Maar kort gezegd, ik kan ergens wel meekomen in dat beroep op Joods-Christelijke waarden. Het is een groot goed als je in een land leeft waar we ons best doen om elk mens gelijk behandelen. (Al moeten we toegeven dat nog steeds het ideaal beter is dan de werkelijkheid.)

Natuurlijk wil je dat beschermen tegen mensen die wel anderen willen buitensluiten en die homo’s, vrouwen, anders-gelovenden, atheïsten, enz. willen onderdrukken. En dus de dijken versterken, de grenzen zo veel mogelijk sluiten, zero-tolerance tegen asielzoekers die een misdrijf begaan, en de kinderen op school het volkslied te laten zingen bij de vlag, om hen goed onder te dompelen in de Joods-Christelijke traditie. En mensen ook weer aanleren vooral zei Buma vorige week om daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Zich als gemeenschap in te zetten voor die waarden. Tja en dan wordt het toch ingewikkeld. Want de Joods-Christelijke traditie heeft het er niet zo op om met geweld mensen zo ver te krijgen dat ze ook die traditie aanhangen. Om hen in gemeenschappen te duwen waar zij die gemeenschappelijkheid moeten uitdrukken. Al zijn er helaas uit de geschiedenis van het christendom helaas heel wat voorbeelden van mensen die zich toch niet in konden houden en met al dan niet subtiel geweld anderen tot hun overtuigingen probeerden te dwingen.

Maar ik geloof niet dat dat de kern van de Joods-Christelijke traditie is. Jezus Christus is voor een deel naamgever van die traditie. Toen hij en alles waar hij voor stond met de dood bedreigd werd zei hij dat wie het zwaard opneemt er zelf door zal vergaan. Hij verdedigde zijn overtuigingen niet met geweld, maar liet zich er liever om doden. Hij vergeleek de verspreiding van zijn boodschap met een graankorrel. Die moet eerst sterven voordat hij vrucht kan dragen. Hij riep zijn volgelingen op om hun vijanden lief te hebben en te bidden voor degenen die hen wilden doden.

In de Joodse traditie is er een lied dat lijkt op een volkslied. Zoals volksliederen plegen te doen, begint dat bij de eigen identiteit waar men trots op is. De hoofdstad Sion (andere naam voor Jeruzalem) wordt bezongen:

Boven alle steden van Jakob [andere naam voor Israël]
heeft de HEER de poorten van Sion lief,
zijn vesting op de heilige bergen.
Van u wordt met lof gesproken,
stad van God.

Supertrots kun je wel zeggen: als God jouw stad de beste vindt, dan moet het wel een heel bijzondere stad zijn. Het vervolg is echter bizar:

‘Ik noem Rahab en Babel mijn getrouwen.
Filistea, Tyrus en Nubië zijn alle hier geboren.’
Met recht kan men van Sion zeggen:
‘Welk volk ook, het is hier geboren,
de Allerhoogste houdt Sion in stand.’

Rahab is een mythologische aanduiding voor een oermonster waarmee ook wel Egypte (grootmacht en vijand van Israël in de tijd van het ontstaan van dit lied) werd aangeduid. Babel is de supermacht die Jeruzalem verwoest heeft. Filistea en Tyrus waren de nabijgelegen militaire en economische tegenstanders en Nubië (Ethiopië) was voor Joden cultureel bijna het einde van de wereld. Van al deze tegenstanders zegt God in dit lied dat het zijn ‘getrouwen’ zijn en dat ze net zo thuis horen in de stad als de Joden. Hun identiteit is volgens dit ‘volkslied’ niet iets dat zij moeten beschermen, maar ‘de Allerhoogste’ houdt Sion in stand.

Ik snap heel goed als politici roepen dat ze hierop geen politiek kunnen bedrijven. Je vijanden liefhebben, iedereen welkom heten in je land of je stad, zelfs je grootste tegenstanders, in het geloof dat God je wel beschermt. Dat is absurd. Daarvoor moet je wel een heel groot geloof in de liefde (of in God, maar dat is uiteindelijk hetzelfde) hebben. Ik verwacht dat niet van politici. Ik vind dat zelf al moeilijk genoeg. Maar wees dan eerlijk en zeg gewoon wat je bedoelt: we hebben hier een leuk land met elkaar en dat willen we graag zo houden. Pech voor anderen die ook mee willen doen, maar dat vinden we te lastig. Die moeten het vooral zelf uitzoeken.

Kerkproeverij in de Bazuinkerk in Kampen

Aanstaande zondag hebben we een soort open dag in de Bazuinkerk. We beginnen net als anders om 9:30 met een kerkdienst, maar we hebben mensen uit onze omgeving uitgenodigd om eens te ‘proeven’ wat er in de kerk gebeurt. Ik hoor nog wel eens van iemand dat hij of zij nieuwsgierig is wat er in de kerk gebeurt, maar niet zomaar durft te gaan kijken, omdat hij of zij bang is iets fout te doen. Nu kun je in een kerkdienst niet zoveel fout doen, maar zondag houden we er extra rekening mee dat we gasten hebben. Als je komt krijg je ook een uitleg over wat er in de kerk gebeurt. Ik heb die alvast hieronder afgedrukt voor als je dat alvast wilt weten of wilt delen met anderen.

Welkom! Zondagmorgen 9:3o, Bazuinkerk, Cello 1 in Kampen.

 

Welkom in de Bazuinkerk!

Welkom!

Als je graag iets meer wilt weten over de kerkdienst vind je hier wat informatie. Maar je hoeft het natuurlijk niet allemaal vooraf te lezen. Je kunt ook gewoon gaan kijken wat er in de kerk gebeurt.

Heb je een vraag, stel hem gerust. Bijvoorbeeld aan de mensen die bij de ingang van de kerk staan.

Je mag overal gaan zitten. Er zijn geen vaste plaatsen in de kerk. Voor kinderen tot ongeveer 4 jaar is er oppas. Voor kinderen tot ongeveer 9 jaar zijn er clubs. De kinderen die naar de clubs gaan, gaan eerst naar de kerkdienst, na ongeveer 20 minuten gaan ze dan naar de clubs. Dat wordt natuurlijk wel aangekondigd. Maar kinderen in alle leeftijden mogen ook gewoon in de kerk komen zitten.

De Kerkdienst

In de kerkdienst staan we er bij stil dat God met mensen om wil gaan. Dat vinden we heel bijzonder. In de kerkdienst willen we door onze manier van doen iets laten merken van ons respect voor God. Maar tegelijkertijd hopen we dat je je ook op je gemak kunt voelen bij ons. Soms wordt er ook gelachen in de kerk. En als je bijvoorbeeld naar het toilet moet, ga gerust. De kerkdienst duurt bij ons meestal tot ongeveer kwart voor elf.

Het begin: De kerkdienst begint als de dominee met de mensen die leiding geven aan de kerk (de kerkenraad) binnenkomt. We worden stil om ons te richten op God. Daarna gaan we staan uit respect voor God. We zingen ‘Onze hulp is in de naam van de HEER die hemel en aarde gemaakt heeft.’ Daarmee willen we laten zien dat we God nodig hebben. Dan zegt de dominee: ‘Genade en Vrede van God onze Vader door onze Heer Jezus Christus’. Hij doet daarbij een hand in de lucht, om te laten zien dat het de woorden van God zijn voor iedereen in de kerk. Die woorden betekenen: God komt met zijn goedheid naar je toe.

Zingen: In de kerk wordt veel gezongen. Je kunt daardoor ook iets van je verdriet, blijdschap of zorgen uitdrukken. Vaak is een lied ook een soort reactie op wat er net gezegd is, bijvoorbeeld bij de Bijbellezing of de preek. De liederen die we zingen zijn soms al heel oud. We zingen bijvoorbeeld vaak Psalmen. De teksten daarvan zijn al ongeveer 2500 jaar oud en ook de melodieën zijn soms al 500 jaar oud. Maar we zingen ook liederen die nog maar pas gemaakt zijn.

Bidden: Het eerste gebed bidden we voordat we lezen uit de Bijbel. We vragen of God ervoor wil zorgen dat de woorden van de Bijbel niet ver weg blijven, maar dat ze ons opnieuw raken. In het tweede gebed bidden voor onszelf, allerlei mensen in onze omgeving en gebeurtenissen die in het nieuws zijn geweest.

Lezen uit de Bijbel : Uit de Bijbel lezen vinden we heel belangrijk. We geloven (en hebben dat soms ook gemerkt) dat je door de teksten van de Bijbel kunt ontdekken wat God vroeger heeft gedaan en wat dat ons nu te zeggen heeft.

Kindmoment: Nadat we uit de Bijbel gelezen hebben, voert iemand een gesprekje met de kinderen over het Bijbelgedeelte. Zo begrijpen zij er ook iets van en merken ze dat God er ook voor hen is.

De preek: De preek is de uitleg van wat we in de Bijbel gelezen hebben. De dominee probeert duidelijk te maken wat die oude tekst vertelt over God. Natuurlijk gaat het dan ook over het leven hier en nu. Het woord ‘preken’ klinkt misschien negatief. Niemand krijgt graag op zijn kop. Dat is ook niet de bedoeling van de preek in de kerk. Het gaat er vooral over wie God in ons leven wil zijn en hoe je met hem kunt leven.

De Tien geboden: In de kerkdienst worden ook vaak de tien geboden gelezen. Dat is een oude wet die God vroeger aan Israël heeft gegeven. Daarnaar te luisteren helpt ons te begrijpen hoe God wil dat we met hem en elkaar leven.

De collecte: Voor een kerkdienst hoef je niets te betalen. Toch houden we wel een collecte tijdens de kerkdienst voor mensen die wel een beetje hulp kunnen gebruiken. In de kerkdienst wordt gezegd waar de collecte precies voor is. Je hoeft echt niets te geven. Het mag natuurlijk wel.

De zegen: Aan het einde van de kerkdienst spreekt de dominee uit. Hij steekt twee handen in de lucht om te laten zien dat God zelf belooft dat hij voor ons allemaal goed wil zijn en met ons mee wil gaan.

Op wie ben ik nu eigenlijk boos?

 

Vanmiddag loop ik even de voormalig synagoge van Kampen binnen. Er is een expositie in het kader van de Hanzedagen met als thema ´water verbindt´. Bij binnenkomst valt gelijk een groot schilderij op. Het is grof geschilderd en hier en daar lijkt de verf zelfs letterlijk op het doek gegooid. Pas na een tijdje dringt het tot me door waar ik naar sta te kijken. Het is zo´n grote oranje-rode opblaasboot. De mensen erop staan en verdringen elkaar. Ze kunnen veel beter gaan zitten, maar er is niet genoeg plek om te zitten. Het lijkt alsof het stormt. Of worden er verfbommen naar hen gegooid om hen op afstand te houden? Wordt er vanaf de kant geroepen: ‘Kom niet hierheen, maar blijf op zee en verzuip?’ Het bloed druipt van het doek af.

Nadat ik de expositie heb bekeken, loop ik nog even naar boven, naar de galerij. Hier zaten vroeger op sabbat – toen dit gebouw nog als synagoge diende – de vrouwen. Er is niet veel te zien. Er ligt een multomap met een lijst met namen: Boektje, Van Gelderen, Goudsmit, Voorzanger. Achter elke naam staat een geboortedatum, een overlijdensdatum en meestal een bekende plaatsnaam: Auschwitz, Sobibor, Buchenwald of Ravensbrück. Bij de laatste naam is een ook foto, een pasgeboren meisje en haar moeder. Ze werd geboren op 31 januari 1938. Inderdaad, precies dezelfde dag als onze vorige koningin. Nadat de vader ontdekte dat zijn dochter gelijk was geboren met de prinses van Oranje is hij opnieuw naar het gemeentehuis gegaan om de aangifte van zijn dochter te veranderen. Ze moest niet alleen Ina heten (naar de toenmalige koningin), maar ook Beatrix. Ina’s leven is na 5 jaar al weer beëindigd in een van die bekende plaatsen. Als ik weer naar beneden wil lopen zie ik nog een kunstwerk. Op een biels staat een koperen beeld van een open veewagon vol met mensen. Er is niet genoeg plek om te gaan zitten.

 

Met een steen op mijn maag verlaat ik de synagoge. Als ik naga wat de steen is, realiseer ik me dat het vooral woede is. Maar ik weet niet op wie. Ik kan wel boos worden op iedereen: Op de laffe Kampenaren die hun stadsgenoten lieten afvoeren. Maar ook op de Joden die zich als makke schapen lieten afvoeren en vanuit gevangenschap geruststellende briefjes schreven aan hun familie. En natuurlijk op de Duitsers die hen uitroeiden als ongedierte. Op wie moet mijn woede zich richten? Moet ik kwaad zijn op mensensmokkelaars, op politici die de grenzen dichthouden, op vluchtelingen die met hun kinderen op wankele bootjes stappen, soms uit wanhoop maar ook zo vaak met het naïeve geloof dat hier alles beter zal worden? Ik weet het niet. Misschien ben ik ook wel kwaad op mezelf. Ik weet zo goed dat dit gebeurt, maar ik leef er zo vaak langs heen, maar ik weet ook niet wat ik moet doen.

Ik ga maar weer aan het werk. Verder met mijn scriptie over het komende oordeel van God. Kan ik daar na wat ik net gezien heb nog geloofwaardig over spreken? Had God niet moeten ingrijpen? Moet hij niet ingrijpen? Of moet ik daar juist bang voor zijn dat hij dat ooit zal doen?

Is het goed om te verwachten en te hopen dat God op een dag recht zal doen? Of is dat een te gemakkelijke manier om onze verantwoordelijkheid te ontlopen? Maar laten we eerlijk zijn, het is ooit in alle talen gezegd en geschreven ‘nie weder’, ‘never again’, ‘nooit weer’ en het gaat gewoon door.

Hoe je moet preken (en spreken over het evangelie)

https://i1.wp.com/2.bp.blogspot.com/-DlAPGra44gA/T3te5cfDbFI/AAAAAAAABv0/LHWlFC3g4_Y/s1600/prekie.png?resize=121%2C175Verveling bevangt veel kerkgangers. Geloven lijkt zo vanzelfsprekend. Het is waar, het is mooi, het is geweldig, en toch verveelt het evangelie. Dat zeggen klinkt dan weer als vloeken. Dat zeg je niet zomaar hardop. En dus blijf je gewoon af en toe eens weg uit de kerk. Doe je maar liever niet meer mee aan Bijbelstudies.

Ik begrijp en herken veel van die verveling. Spreken over God en het leven is te vaak voorspelbaar, waar en nietszeggend. Tegelijk voel ik me enorm bevoorrecht dat ik predikant ben. Dat biedt me de kans om keer op keer te ontdekken dat het evangelie niet vervelend is, maar werkelijk goed nieuws. Tegelijkertijd: het is vaak een worsteling om dat te ontdekken. En soms blijft die ontdekking uit. Maar op een ander moment wordt die me zomaar in de schoot geworpen.

Ik geloof dat het mijn roeping als predikant ook is om die worsteling telkens weer door te maken. Ik zou niet weten hoe ik anders geloofwaardig zou kunnen preken of spreken over het evangelie. In een van mijn leerboeken van vroeger stond ook dat je alleen maar mag preken als je zelf iets nieuws ontdekt hebt in de tekst waarover je preekt. Iets wat je werkelijk de moeite waard vindt om door te geven. Dat maakt preekvoorbereiding voor mij vaak een enorme worsteling. Want heel vaak klinken mij de woorden van de Bijbel me te bekend in de oren. Continue reading

Zussen, vergeef me

Zussen uit de Bazuinkerk in Kampen, de Kruiskerk in Nunspeet, het Witte Kerkje in Sneek en andere GKv, ik moet jullie mijn excuses aanbieden. Of beter: om vergeving vragen. Ik heb jullie te vaak niet serieus genoeg genomen.

Vandaag kwam het rapport uit van het deputaatschap dat de synode van de GKv adviseert  over ‘M/V en ambt’. Hun advies is om alle ambten ook open te stellen voor vrouwen. Ik ben daar blij mee. Ik hoop er al jaren op dat ook vrouwen predikant, ouderling of diaken in de GKv kunnen worden. Met het uitkomen van dit rapport begon ik me dat ook voor te stellen. Sommigen van jullie zag ik voor me als diaken, ouderling of predikant. Wat een enorme verrijking zou dat zijn! Ik hoop dat het niet lang duurt.

Maar opeens  realiseerde ik me voor het eerst sinds tijden hoe velen van jullie het als groot onrecht ervaren dat ze niet mee kunnen doen zoals jullie broers. Hoeveel pijn dat kan doen en frustratie kan opleveren. Continue reading

Een spin in mijn tuin

In de tuin hangt een spin. Vannacht heeft ze haar web geweven en dat hangt nu onder de boom. De zon valt precies op haar web. De wind blaast er met vlagen tegenaan. Het beweegt soepel, golvend mee. Onverwoestbaar. De wind doet het schitteren in de zon. Als je goed kijkt zie je dat het allemaal verschillende kleuren heeft. De spin zit onverstoorbaar in het midden.

Het ziet er prachtig uit, maar ik weet dat ze een dodelijk wapen heeft gemaakt voor muggen en vliegjes. Als er een in haar web vliegt zal ze eraan trekken en rukken zoals de wind, maar er steeds vaster in komen te zitten. Als het slachtoffer niet al te veel weerstand meer biedt, zal de spin erheen sluipen en haar verder omwikkelen met spinrag om haar op later leeg te zuigen.

En toch. Het web danst schitterend in de zon en met de wind. Als Gods schepping op een dag vernieuwd is, als de dood er niet meer is, zal er dan geen plaats meer zijn voor spinnen? Of zullen ze hun web nog steeds weven en spelletjes spelen met de muggen en de vliegen?

Het klinkt absurd. Continue reading