‘Altijd dat gezeur om geld’ – Hoe en waarom veel Afrikanen heel anders omgaan met bezit, geld en vriendschappen dan veel Westerlingen gewend zijn

Abstract

In dit artikel wordt geprobeerd in kaart te brengen hoe veel Afrikanen anders met geld en persoonlijke relaties omgaan dan veel Westerlingen gewend zijn. Betoogd wordt dat de achtergrond hiervan ligt in een verschil in de economische situatie tussen Afrikaanse en Westerse samenlevingen. De economisch situatie in een samenleving heeft ook gevolgen voor de positie van het individu ten opzichte van de gemeenschap. Groei in rijkdom blijkt vaak te leiden tot meer individualisering en daarmee ook tot een andere visie op relaties en bezit dan gangbaar is in een armere meer collectivische samenleving. In dit artikel wordt beschreven hoe dit verschil in tal van praktijksituaties leidt tot wederzijds onbegrip tussen Afrikanen en Westerlingen. Bedoeling van het artikel is een deel van dit onbegrip op te heffen en dit verschil ook in persoonlijke relaties tussen Afrikanen en Westerlingen bespreekbaar te maken.

  1. Inleiding

“Give me your blouse”. “When are you gonna give me your bike?” “I want your cap”. Wie Afrika bezoekt en niet alleen maar in touringcars en lodges verblijft, krijgt onvermijdelijk zo’n verzoek een keer voor z’n kiezen. Of ook wie in het kader van een uitwisselingsproject Afrikanen ontvangt, zal het niet onbekend voorkomen. ”Ze vragen altijd maar”, heb ik al heel wat bezoekers van Afrika horen verzuchten.

Het helpt al veel om te bedenken dat vragen voor veel Afrikanen ook een vorm van complimenten geven is. Waar jij misschien zegt “wat een mooie bloes”, zeggen sommige Afrikanen “mag ik ‘m hebben?” Dat betekent ook dat mensen lang niet altijd verwachten dat je ‘m ook geeft. Verwacht wordt ook niet dat je botweg “nee” of “bedankt voor het compliment” antwoordt. Beter is een ontwijkend antwoord als: “Vandaag niet”, “wat geef je mij dan?”, “daar moet ik nog eens over nadenken”. Nog beter is een grapje (al is humor in contacten met mensen uit andere culturen wel vaak een riskante aangelegenheid).

Zo las ik het verhaal van een antropoloog die een koeienherder ontmoette. De herder bewonderde haar horloge en vroeg haar het hem te geven. Zij antwoordde: “natuurlijk, maar dan neem ik één van je koeien als ruil.” De herder keek haar wat geschrokken aan, waarop zij zei: “ik neem dat manke beest daar wel, want dit horloge loopt ook niet helemaal goed” (Maranz 2001: 82).

De achtergrond voor het verpakken van complimenten in verzoeken ligt mogelijk in de gedachte, die ik Afrika nogal eens ben tegengekomen, dat iemand openlijk complimenteren het boze oog aantrekt. (Net zoals het voor sommige Afrikanen taboe is om openlijk te spreken over zwangerschap, maar liever te spreken over dik of ziek zijn.)

Als het geven van complimenten verpakt in verzoeken het enige probleem zou zijn in de communicatie over materiële zaken tussen Westerlingen en Afrikanen, dan was er geen reden dit artikel te schrijven. Er is juist als het gaat om relaties en geldzaken is er veel meer aan de hand. Er is veel onbegrip en wederzijdse veroordeling. Ongewild worden stereotype beelden bevestigd: Afrikanen kunnen niet met geld om gaan, of zijn zelfs onbetrouwbaar en corrupt. En aan de andere kant: Westerlingen willen hun Westerse waarden opleggen en zijn egoïstisch en hardvochtig. Een relatie – tussen personen, regeringen, organisaties of kerken – die door dit soort beelden wordt bepaald, leidt tot vrijwel niets meer dan frustratie en voortdurende bevestiging van de ingenomen standpunten.

In dit artikel wil ik nagaan hoe Afrikanen en Westerlingen nogal eens verschillen in hun gewoonten als het gaat om geld en bezit en hun relaties. Ik schrijf ‘nogal eens’ want mensen zijn verschillend. Net zo min als de Nederlander niet bestaat (ook al zouden sommigen dat wel willen), bestaat de Westerling of de Afrikaan niet. Toch zijn er wel gedragingen die in veel Afrikaanse landen betrekkelijk normaal zijn, terwijl ze dat in veel Westerse landen zeker niet zijn. In dit artikel wil ik de achtergronden van die verschillen inzichtelijk maken, zonder daar direct een moreel oordeel aan te verbinden. Verschillen in de omgang met geld en relaties worden er niet mee opgelost, maar wederzijds begrip kan die verschillen wellicht meer bespreekbaar en hanteerbaar maken.

In dit artikel hanteer ik de begrippen ‘Afrikaan’ en ‘Westerling’ of ‘Westen’ en ‘Afrika’. Ik doel dan m.n. op (Afrikanen wonend in) Sub-Sahara Afrika en (inwoners van) Noord-Amerika en West-Europa. Daarbij ben ik mij, zoals gezegd, ervan bewust dat dit grove generalisaties zijn en geen recht doen aan de verschillen tussen Afrikanen onderling of Westerlingen onderling. Ik wil bovendien benadrukken dat dit artikel niet de bedoeling heeft om gedrag van Afrikanen en Westerlingen te voorspellen. Situaties en mensen zijn daarvoor te verschillend. Het artikel bedoelt meer een kader aan te geven, waarbinnen bepaald gedrag van mensen mogelijk te begrijpen is. Dat kan behulpzaam zijn voor iedereen die van doen heeft met Afrikaanse relaties en geld, zoals werkers of bestuursleden van zendings- of ontwikkelingsorganisaties, mensen die zelf gestart zijn met een klein hulpprojectje of via persoonlijke relaties in Afrika hulp zenden, mensen die in Afrika wonen of rondreizen en Westerse bedrijven die zaken doen met Afrikaanse bedrijven. Ook is dit kader behulpzaam voor mensen die gewoon beter willen begrijpen waarom het nogal eens mis gaat in relaties tussen Afrika en het Westen, juist als het gaat om geld.

Voor dit artikel maak ik gebruik van het boek African Friends and Money Matters van de cultureel antropoloog David Maranz (2001). Daarnaast spelen mijn eigen ervaringen ook een rol: ik heb een jaar in D.R. Congo gewoond en gewerkt, verschillende Afrikaanse landen bezocht en werk op dit moment in Nederland bij De Verre Naasten, het zendingsbureau van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), en heb in die functie contact met verschillende Afrikaanse partners over materiële en personele hulpverlening.

Het doel van Maranz’ boek komt grotendeels overeen met dat van dit artikel: meer inzicht geven in de manier waarop Afrikaanse economische en sociale systemen op individueel niveau werken, zodat er meer zinvolle persoonlijke relaties tussen Afrikanen en Westerlingen kunnen ontstaan en Westerlingen meer respect hebben voor Afrikaanse economische systemen (Maranz, 2). In dit artikel zal ik de door Maranz beschreven inzichten over het individueel niveau ook regelmatig betrekken op het niveau van partnerbesprekingen tussen een Westerse hulporganisatie en haar Afrikaanse partner of tussen een Westerse en Afrikaanse kerk, vooral omdat ook deze relaties vorm krijgen in persoonlijk contact en juist door veel Afrikanen worden beschouwd als (ook) persoonlijke relaties, zoals ik verderop zal beschrijven.

Ik geef in dit artikel een systematiserende samenvatting van Maranz’ boek. Maranz levert in zijn boek interessante waarnemingen van de manier waarop Afrikanen soms om kunnen gaan met geld en relaties, maar geeft te weinig handvatten om die observaties in een groter kader te plaatsen. Het blijft bij het beschrijven van waarnemingen en daaraan gekoppeld 90 generaliserende uitspraken. Dat zijn er teveel en ze staan teveel los van elkaar om ze te overzien. Marranz’ boek blijft daardoor vooral een boek, dat interessant is om af en toe een stukje uit te lezen, maar een systematiserende visie ontbreekt.

De verschillen tussen veel Afrikanen en veel Westerlingen in de omgang met bezit en relaties, is te begrijpen als een verschil in wat we vaak gemakshalve ‘cultuur’ noemen. Ik zal dat begrip slechts beperkt in dit artikel gebruiken. Als ik dat doe bedoel ik daarmee ”de collectieve mentale programmering die de leden van één groep of categorie mensen onderscheidt van die van andere.” (Hofstede 2004: 16) Daarmee mag duidelijk zijn dat cultuur enerzijds niet onveranderbaar is – het is aangeleerd gedrag – en niet letterlijk in de genen zit. Anderzijds is het wel ‘een programmering’ die niet zomaar te wijzigingen is. Ook biedt deze definitie de mogelijkheid te spreken over Afrikaanse en Westerse cultuur; zowel Afrikanen als Westerlingen vormen een zekere afgebakende groep of categorie mensen. Tegelijkertijd laat dat ruimte voor de waarneming dat er tussen Afrikanen (en Westerlingen) onderling ook grote cultuurverschillen zijn; hierbinnen zijn immers ook groepen te onderscheiden.

Het verschil in omgang met relaties en bezit tussen Afrikanen en Westerlingen is niet alleen als een cultuurverschil te zien, maar is ook te beschouwen vanuit het verschil in sociaaleconomische situatie. Uiteraard zijn dit geen op zich staande factoren, maar beïnvloeden ze elkaar. Ik zal in dit artikel mijn startpunt kiezen in het verschil in de sociaaleconomische situatie van het Westen en Afrika. Dat verschil maakt de andere manier van omgang met relaties en bezit, die je ‘cultureel’ zou kunnen noemen, begrijpelijker.

Ik begin met het verschil in de sociaaleconomische situatie van het Westen en Afrika te schetsen. Het gaat me daarbij vooral om de verschillende doelen van het Westerse economische systeem en het Afrikaanse. Dit verschil in sociaaleconomische doelen krijgt ook gestalte in het verschil in culturen (paragraaf 2). In het vervolg van dit artikel wil ik waarnemingen van Maranz (en die van mijzelf) met betrekking tot het verschil in omgang met geld en relaties tussen Westerlingen en Afrikanen ordenen aan de hand van het verschil in een zeker bestaan in rijkdom tegenover een onzeker bestaan in armoede (paragraaf 3), de rol die de gemeenschap (collectivistisch of individualistisch) heeft in de visie op geld en relaties (paragraaf 4) en de manier waarop men in het leven staat: zakelijk en doelgericht of gericht op een goede persoonlijke relatie (paragraaf 5). Dat laatste is te zien als deel van het verschil tussen individualisme en collectivisme. Ik eindig met een samenvattende conclusie waarin ik m.n. formuleer welke mogelijke lessen te trekken zijn voor zinvolle relaties tussen Afrikanen en Westerlingen (paragraaf 6).

  1. Twee succesvolle economische systemen en verschil in cultuur

2.1 Twee economische systemen

Ik heb lange tijd gedacht dat er maar één werkelijk succesvol economisch systeem is: het Westerse. Ik was zeker niet geneigd – net als veel Afrikanen trouwens – om het Afrikaanse succesvol te noemen. Maranz stelt deze visie ter discussie; het hangt er maar van af wat je succesvol noemt. Succesvol is iets, dat bereikt waarvoor het bedoeld is. Het is goed te verdedigen dat het Afrikaanse economische systeem een succesvol systeem is.

Het doel van het Westerse economische systeem is kort gezegd het vergaren van zoveel mogelijk bezit door en voor individuen. Het doel van het economische systeem in Afrika is te omschrijven als samen overleven. Afrika wordt al eeuwenlang geteisterd door rampen: epidemieën, hongersnoden, oorlogen, plundertochten voor slaven, tropische ziekten, enz. Die hebben het vergaren en veiligstellen van bezit telkens weer onmogelijk gemaakt. Om die rampen het hoofd te kunnen bieden is elkaar ondersteunen een veel effectievere strategie gebleken dan het individueel vergaren van bezit. Tot op de dag van vandaag.

Wie de economische cijfers leest die voor veel Afrikaanse landen gelden, verbaast zich. Hoe kunnen mensen met minder dan $1 of $2 per dag overleven? Hoe red je het, als er bijna niemand werk heeft? Eén van de antwoorden is dat er ook een grote informele (vaak niet-monetaire) economie is (denk aan opbrengst van akkertjes, schoenpoetsers op straat, etc.). Een ander belangrijk antwoord is echter ook: de grote onderlinge solidariteit. Met andere woorden: het Afrikaanse economische systeem doet wat het moet doen: het helpt om samen te overleven. Vandaag help jij mij, morgen heb jij misschien weer mijn hulp nodig.

2.2 Cultuur en welvaart

Een cultuur wordt gevormd in een bepaalde situatie. Zo zijn er verbanden te leggen tussen een mate van welvaart, vrede en veiligheid in een samenleving en haar cultuur. Zo laat Hofstede zien dat de manier waarop men zich in een bepaalde cultuur verhoudt tot de gemeenschap en het individu samenhangt met het BNP per capita. Landen met een laag BNP per capita scoren over het algemeen ook laag op hun individualisme-index en andersom. In landen waarvan de nationale rijkdom groeit, neemt het individualisme bovendien toe. Zo is een land als Japan, dat traditioneel sterk collectivistisch was (en nog steeds meer collectivistisch is dan veel Westerse landen), veel meer individualistisch geworden (Hofstede 2004: 100-103).

Deze samenhang is eenvoudig te begrijpen. Als het bestaan onzeker en arm is en ik nu niet weet hoe ik er morgen aan toe ben, kan een gemeenschap mij veiligheid en geborgenheid geven en is het onderhouden van goede relaties van levensbelang. Aan de andere kant als mijn bestaan veilig en zeker is, kan ik werken aan persoonlijk geluk, niet de gemeenschap, maar ikzelf kom op de eerste plaats.

Uiteraard is dit een versimpeling van de werkelijkheid. (Groepen) mensen zijn niet alleen maar op gemeenschap gericht of juist op het individu gericht vanwege overlevingsstrategieën. En datzelfde is te zeggen m.b.t. doelgericht of op de relatie gericht zijn. Samenlevingen die zich economisch snel ontwikkeld hebben, zijn ook meer individualistisch geworden. Tegelijkertijd betekent dat niet dat alle rijkere landen even individualistisch zijn. Toch is de trend van een groeiende rijkdom naar meer individualisme wel overal zichtbaar. Niet alleen op nationaal, maar ook op individueel niveau. Zo is nogal eens waar te nemen dat Afrikanen die veel geld verdienen, zich in meer of mindere mate afsluiten voor de gemeenschap waar zij uit afkomstig zijn, juist vanwege het grote beroep dat voortdurend op hen wordt gedaan.

  1. Een zeker bestaan in rijkdom tegenover een onzeker bestaan in armoede

Dat Afrikanen gemiddeld genomen een veel armer en onzekerder bestaan leiden dan Westerlingen behoeft geen betoog. Cijfers over inkomen, (onder)voeding, onderwijs, geweld, corruptie, rampen, enz. spreken voor zich. Deze discrepantie leidt begrijpelijkerwijs ook tot verschillende manieren van leven en ook tot verschillende manieren van omgaan met geldzaken en relaties. Twee opvallende aspecten, die beïnvloed worden door het leven in rijkdom en veel zekerheid of juist armoede en veel onzekerheden, zijn de omgang met vriendschap en de omgang met afspraken. Ik behandel ze hieronder na elkaar en geef enkele voorbeelden.

3.1 Vriendschap

“Friendship and money – oil and water”, aldus Michael Corleone in The Godfather III. Vriendschap en geld gaan niet samen. Westerlingen houden ze dan ook graag uit elkaar. Een spreekwoord zegt weliswaar: in nood leert men zijn vrienden kennen, maar dat wordt meestal niet gekoppeld aan materiële nood. Vriendschap is er in het Westen om emotionele behoeften te bevredigen, om samen dingen te doen. Financiële zaken zijn daar over het algemeen van uitgesloten. Dat is ook goed mogelijk omdat de meeste Westerlingen geen financiële steun van particuliere personen nodig hebben. Voor leningen en subsidies zijn banken en overheid beschikbaar.

Voor veel Afrikanen ligt dat heel anders. Zij kunnen het zich vaak niet permitteren om vriendschap te beperken tot alleen sociale en emotionele aspecten. Ook financiële nood komt daar voluit in mee. Daarbij beperkt de hulp van de vriend zich niet tot het desgevraagd geven van geld. Vriendschap wordt ook nogal eens geïnterpreteerd als ‘dat alles wat van mijn vriend is en hij niet nodig heeft, tot mijn beschikking staat’. Verschillende keren heb ik verhalen gehoord van Afrikanen die ongevraagd iets meenamen uit het huis van hun vriend en wanneer zij daar later mee geconfronteerd werden antwoordden: “Ik dacht dat we vrienden waren…” (Zie ook Maranz 2001: 33-35.)

Omdat vriendschappen van belang zijn om zich in het leven staande te houden, hebben Afrikanen vaak veel vrienden en zijn ze druk bezig met het sluiten van nieuwe vriendschappen en onderhouden van oude vriendschappen. In Afrikaanse steden zie je vaak ’s avonds nog veel mensen over straat lopen. Bijna allemaal zijn ze onderweg om vrienden op te zoeken. Daarbij zullen degenen die armer zijn altijd degenen die rijker zijn opzoeken. De eersten hebben ook het meeste belang bij die vriendschap.

3.2 Westerlingen en Afrikaanse vriendschappen

Voor Westerlingen die in Afrika komen zijn de gewoonten rondom vriendschap vaak verwarrend. Ze leggen contact met Afrikanen en krijgen vrienden. Na verloop van tijd vraagt een Afrikaan om een lening. De Westerling verschaft die, maar als er na een tijdje opnieuw een verzoek om financiële hulp komt, krabt hij zich achter de oren. Als andere Afrikaanse vrienden ook om hulp vragen, vraagt hij zich af, of mensen soms alleen vrienden zijn geworden om het geld…

Het is dan goed om te bedenken dat financiën een wezenlijk onderdeel zijn van veel Afrikaanse vriendschappen, maar niet het enige aspect. Tegelijkertijd lost dat niet alles op. Westerlingen passen eigenlijk niet in het Afrikaanse vriendschapssysteem. Dat is nl. gebaseerd op onderlinge solidariteit: vandaag heb jij geld en help jij mij, morgen help ik jou. De gemiddelde Westerling heeft echter in vergelijking met veel van zijn Afrikaanse vrienden – ik laat hier de kleine economisch welvarende groep Afrikanen buiten beschouwing – onuitputtelijke bronnen. Hij of zij hoeft zich nooit zorgen te maken of hij wel genoeg geld heeft voor eten, of hij het ziekenhuis wel kan betalen of de school voor de kinderen. Van hem kan wel altijd gevraagd worden om een bijdrage, maar zelf heeft hij financieel de ander niet zo nodig. Wie veel Afrikaanse vrienden heeft zal een manier (moeten) vinden om hier mee om te gaan, maar af en toe zal het blijven schuren.

Natuurlijk zijn er ook rijke Afrikanen die geen hulp nodig zullen hebben van hun armere landgenoten. Soms zie je dan ook dat zij zich ook afsluiten voor de gemeenschap om hen heen en slechts nog contact houden met mederijken. Een ander veelvoorkomend verschijnsel is echter dat van het cliëntelisme: een rijke man (patron) schenkt zijn gunsten aan de gemeenschap en individuen en ontvangt daarvoor het respect en de gehoorzaamheid van die gemeenschap (Maranz 2001: 10). Dat is geen rol die veel Westerlingen ligt. Toch zijn er verschillende rijke Westerlingen die na het geven van royale giften zich tot koning hebben laten kronen van een Afrikaanse stam. Zo werd de Nederlandse miljonair Ad Paes koning van Somey in Ghana (Volkskrant 2001).

3.3 Afspraken en prioriteit

Een ander aspect van het omgaan met geld, dat nauw samenhangt met de economische (on)zekerheid is het stellen van prioriteiten bij het doen van uitgaven. Laat ik eerst een voorbeeld geven van een niet ongewone Afrikaanse situatie: drie mannen huren samen een appartement. Eén van hen is verantwoordelijk voor het betalen van de elektriciteitsrekeningen. Hij ontvangt daarvoor van de anderen hun bijdrage. De dag voor hij de rekening moet gaan betalen, betaalt hij een persoonlijke rekening van dit geld. Hij zou nog geld krijgen van een andere vriend en daar zal hij dan wel de elektriciteitsrekening van betalen. Helaas betaalt zijn vriend hem niet op tijd en dus wordt de elektriciteit afgesloten. Zijn huisgenoten zijn hier niet blij mee, maar noemen hem niet onverantwoordelijk en zeker niet oneerlijk. Maranz ontleent hier de volgende gedragsregel aan: “De financiële behoefte die zich het eerste voordoet heeft als eerste recht op de beschikbare middelen.” (Maranz 2001: 14) Hetzelfde doet zich voor als mensen een feest gaan vieren. Kosten noch moeiten worden gespaard voor een zo groot mogelijk feest. Geen geld wordt achtergehouden voor toekomstige behoeften. Zelf heb ik meermalen gezien dat Afrikanen die in één keer een groot bedrag ontvangen dit binnen de kortste keren uitgegeven hebben aan tal van luxe zaken en algauw weer geldtekort hebben.

Zulk gedrag is te begrijpen tegen de achtergrond van economische onzekerheid. In een onzekere situatie waar je je schatten zo maar kunt verliezen, is het maar beter er zo snel zoveel mogelijk van te profiteren. Bovendien zullen je familie en je vrienden al heel gauw een beroep komen doen als ze weten dat jij wat extra hebt (zie ook onder 4.5 Onderlinge verplichtingen en het ontduiken ervan).

3.4 Afspraken en ambiguïteit

Behalve een verschil in het stellen van prioriteiten zijn er meer culturele verschillen met betrekking tot het maken van afspraken. Waar Westerlingen vaak houden van heldere precieze afspraken, lijken voor Afrikanen ambiguïteit en imprecisie hogere kunstvormen (Maranz 2001: 90). Ook hier geldt dat een onzeker bestaan uitnodigt om alle opties zo lang mogelijk open te houden. Maranz noemt als voorbeelden van terreinen waar ambiguïteit vaak voorkomt:

  •    Het lenen van geld of goederen zonder afspraken te maken of, wanneer en hoe er zal worden terugbetaald/gegeven.
  •    Het niet hebben van vaste prijzen. Dat maakt het enerzijds telkens weer mogelijk om maximaal te verdienen aan een verkoop en anderzijds biedt het de mogelijkheid vrienden of familie korting te geven.
  •    Het opnieuw onderhandelen over eerder gestelde overeenkomsten in de hoop dat er een betere deal uit komt.
  •    Het niet bijhouden van een precieze financiële boekhouding.
  •    Het niet geven van een definitief negatief antwoord dat geïnterpreteerd zou kunnen worden als te negatief of vijandig.
  •    Het later aankomen of beginnen aan vergaderingen.
  •    Het zich niet van te voren inschrijven voor seminars e.d., om je maar niet vast te leggen (Maranz 2001: 88).
  1. Individu of gemeenschap

Nauw samenhangend met de economische situatie is de waarde die een samenleving geeft aan het individu en de gemeenschap. Als een goede band met het collectief van levensbelang is, is een samenleving vanzelf meer collectivistisch dan individualistisch. Iets daarvan werd al zichtbaar toen het ging over vriendschap en bezit. Dat iemand dingen die zijn vriend niet gebruikt ongevraagd kan meenemen, past goed in een collectivistische context, maar zal in een meer individualistische context algauw diefstal worden genoemd.

Heel generaliserend zou je kunnen zeggen dat de waardering van een samenleving voor de gemeenschap t.o.v. het individu ook bepalend is voor de wijze waarop zij naar bezit kijkt. Als een samenleving meestal de gemeenschap boven het individu stelt, zal zij ook meer geneigd zijn bezit in termen van de gemeenschap te begrijpen en niet van het individu. Dat wil zeggen: beschikbare gelden en goederen zijn in een collectivistische samenleving in principe beschikbaar voor iedereen. In een sterk individualistische samenleving daarentegen is bezit verbonden aan een duidelijke eigenaar en in principe onvervreemdbaar.

In de volgende tabel is uitgewerkt tot welke verschillende waarden individualisme en collectivisme leiden en dan m.n. in de omgang met geld en bezit. Ik zal de verschillende begrippenparen hierna kort bespreken.

Tabel 1: Belangrijke waarden en gedragslijnen in de omgang met geld en bezit in respectievelijk een individualistische en een collectivistische samenleving

Individualisme Collectivisme
persoonlijke verantwoordelijkheid solidariteit
afwachten/ontvangen vragen/eisen
eigenaarrecht beheerderrecht
two pockets one pocket
sparen delen

 

4.1 Persoonlijke verantwoordelijkheid of solidariteit

Veel Westerlingen houden er niet van geld aan bedelaars te geven. Ze zijn bang dat je het bedelen daardoor maar in stand houdt. Bedelende mensen moeten eerder gestimuleerd worden op een of andere manier werk te zoeken, dan te bedelen. Veel Westerlingen zullen zelf ook niet gemakkelijk geld vragen van familie of vrienden. Ze willen graag onafhankelijk zijn en hechten aan privacy. Juist ook als het gaat om financiële zaken.

Veel Afrikanen daarentegen willen niet perse onafhankelijk zijn. Voor hen is het vooral belang deel uit te maken van een gemeenschap. Maranz vertelt dat hij verschillende Afrikaanse vrienden had die klaagden dat er voortdurend een beroep op hun geld werd gedaan. Maranz stelde hen voor om een bankrekening te openen, zodat ze zelf niet onmiddellijk bij hun geld konden en ze dus konden sparen. Geen van hen ging daar op in. Eén stelde dat hij liever in de toekomst investeerde door anderen te helpen. Dat was een zekerder investering dan het geld op de bank te plaatsen. Bovendien kon hij op deze manier ook een goed mens zijn (Maranz 2001: 146).

Waar geld en bezit ook of eerder als gemeenschappelijk wordt gezien, dan als puur persoonlijk, is sparen of bewaren algauw asociaal: je zet geld op de bank (ongebruikt), terwijl een ander het goed zou kunnen gebruiken. Zo stonden (staan?) Westerlingen bij sommige Afrikanen (slecht) bekend als ‘de mensen die hun eten bewaren in een koelkast’ (en die het eten wat over is dus niet gewoon delen).

Zowel geld geven als geld vragen aan individuele personen is voor veel Afrikanen veel minder ingewikkeld dan dat het voor veel Westerlingen is. Eén van mijn studenten in Congo vertelde me bijvoorbeeld eens dat hij bij een kennismakingsgesprek met een nieuwe buurman hem vaak om geld vroeg. “Niet altijd omdat ik het nodig heb, maar gewoon om te ontdekken of het een goed mens is.” Zijn medestudenten vonden dat een verstandige manier van doen.

In een samenleving waar interdependentie belangrijker is dan onafhankelijkheid, reken je voor crisissituaties dan ook vaak niet in de eerste plaats op jezelf, maar op anderen. Maranz citeert een Afrikaan die zegt: “When an American needs Money, he Works for it. When an African needs money, he talks for it.” (Maranz 2001: 23) Een ander voorbeeld zijn verzekeringen. Waar Westerlingen bv. begrafenisverzekeringen hebben, word je in sommige delen van Afrika geacht een gift te geven als je de rouwende familie bezoekt.

Een andere vorm die ik m.n. in Zuid-Afrika ben tegengekomen en daar populair is, is de zgn. begrafenisvereniging. Wie lid is van een begrafenisvereniging betaalt contributie, zodat mocht er iemand overlijden de begrafenis door de vereniging betaald kan worden. Hoewel dit op het eerste gezicht niets anders dan een verzekering lijkt, is er een opvallende verschil; de vereniging functioneert werkelijk als een gemeenschap met regelmatige bijeenkomsten.

Dit verschil in houding en manier van doen leidt uiteraard nogal eens tot spanning in het contact tussen Afrikanen en Westerlingen. De laatsten kunnen zich nog wel eens ergeren aan Afrikanen in de trant van: “Ze vragen altijd maar, in plaats van verantwoordelijkheid voor hun eigen leven te nemen.” Andersom kunnen Afrikanen vaak maar moeilijk begrijpen waarom die Westerling die zich vriend of zelfs broeder of zuster noemt, zo moeilijk doet over dat geld, terwijl hij het prima kan missen.

Datzelfde speelt uiteraard niet alleen in persoonlijke relaties, maar ook in het contact tussen ontwikkelings- of zendingsorganisaties en hun partners in Afrika. Het kost Westerse organisaties vaak veel tijd (als het al lukt) om uit te leggen dat hun hulp gericht is op de opbouw van mogelijkheden om zelfstandig te functioneren. Vanaf Afrikaanse zijde wordt nogal eens – zeker in kerkelijke relaties – gesproken van een grote broer (zus) of moeder (vader), die komt helpen en zorgen. En net zoals je familie je niet in de steek laat, zal de Westerse partner dat toch ook niet doen.

Het heeft natuurlijk geen enkele zin om hier etiketten op te plakken: de Afrikaan is liever lui dan moe of de Westerling is koud en asociaal. Het is constructiever om indien mogelijk veel tijd te nemen om de achtergronden van het eigen denken aan elkaar uit te leggen en te bespreken.

4.2 Afwachten/ontvangen of vragen/eisen

“Ze zijn zo weinig dankbaar. Zo onbeschoft haast. Ze vragen, nee eisen geld en hulp, en als ze het niet krijgen worden ze agressief.”

Veel Afrikanen lijken niet alleen veel minder moeite te hebben om geld of materiële hulp te vragen dan veel Westerlingen, ze lijken het ook soms ook in zekere zin op te eisen. Ik maakte eens mee dat een Afrikaanse straatverkoper me een riem wilde verkopen. Ik zei vriendelijk dat ik vandaag niets nodig had, maar misschien een andere keer. De man werd daarop kwaad en schreeuwde: ik moest iets kopen, hij en zijn gezin moesten toch ook eten! Ik ken heel wat verhalen van anderen die dergelijke dingen meemaakten met taxichauffeurs, straatverkopers of politieagenten. Nu zijn er ook veel (de meeste?) Afrikanen die dit soort gedrag veroordelen, maar het komt toch meer voor in Afrika dan in het Westen.

Uiteraard hangt dat ook weer samen met het idee dat bezit in de eerste plaats aan de gemeenschap toebehoort en niet aan het individu. Als ik dus geld genoeg heb om een riem bij een marktkoopman te kopen, maar het niet doe, ga ik volgens hem asociaal met mijn middelen om. Ik houd voor mezelf wat ik prima kan delen. Maranz vertelt hoe hij een kruier niet meer wilde betalen dan het afgesproken officiële tarief en daardoor een conflict met die kruier krijgt. Als het conflict afgehandeld is, is de reactie van de omstanders spottend ”ach die arme Amerikaan, die kan natuurlijk niet meer betalen”. De sympathie en het begrip gaat niet uit naar de Amerikaan die zich aan de gemaakte afspraak wilde houden, maar naar de kruier die meende dat de rijke Amerikaan best wat meer kan betalen (Maranz 2001: 119-120).

4.3 Eigenaarrecht of beheerderrecht

Een ander terrein waar het verschil in het belang dat wordt gehecht aan gemeenschap of juist het individu een belangrijke rol speelt is bij het beheer van andermans geld of goederen. Voor veel Westerlingen spreekt het voor zich dat als je iets van een ander leent en het per ongeluk stuk maakt, dat je het geleende vergoedt. Het was immers het bezit van die ander. Geld of goed dat je ter beschikking wordt gesteld voor een bepaald doel, moet ook voor dat doel gebruikt worden.

Hoewel je zeker niet kunt zeggen dat Afrikanen het nooit zo doen, hebben veel Afrikanen hier andere ideeën bij. Iemand die geld of goederen beheert heeft min of meer (hier worden per situatie en persoon zeker verschillende accenten gelegd) het recht dit eventueel ook voor andere zaken te gebruiken. Andersom wordt dat ook van hem of haar verwacht. Zo vertelde een Westerse collega die in Afrika werkt maar nu op verlof is, dat zijn Afrikaanse plaatsvervanger geweigerd had de kas te beheren. Hij was veel te bang dat als dat bekend zou worden bij andere Afrikanen, dat er onmiddellijk voor allerlei zaken op hem een beroep gedaan zou worden. Om zijn familie en bekenden te weigeren om allerlei vormen van hulp te geven, zou hem zwaar worden aangerekend. Anderzijds verwachtte zijn Westerse baas natuurlijk dat hij het geld alleen zou gebruiken waarvoor het bestemd was.

Iets dergelijks maakten ik mee als lid van de Friese Zendingsdeputaten met de Gereformeerde Kerken op Kalimantan Barat (Indonesië) ook mee. De gereformeerde zending had er kerken geplant en hielp hen het gemeenteleven op te bouwen. Een van de zaken die er bij hoorde was het beheren van de financiën van de kerk. Na verloop van tijd wilde echter (bijna) niemand meer penningmeester zijn van een plaatselijke gemeente of een kerkelijke commissie. Het geld was volgens de zending immers bedoeld voor de gemeente of de doelen van de commissie, die dan ook moesten beslissen over eventuele uitgaven. Familieleden en kennissen van de penningmeester deden in geval van nood echter een direct beroep op de penningmeester. Weigering betekende verwijten van hen. Toegeven betekende ‘veroordeling’ door de zending.

In een dergelijk spanningsveld zitten financiële beheerders van kerken, scholen en hulporganisaties in Afrika ook voortdurend. Ik ken nogal wat situaties waar ook van Afrikaanse zijde verzocht om een Westerse beheerder van de gelden. Die is tenminste buitenstaander en soms het meest betrouwbaar voor alle partijen. In geval van geleidelijk overdracht van een hulporganisatie aan de lokale gemeenschap is de financieel beheerder nogal eens de laatste die vertrekt.

4.4 Two pockets of one pocket

Direct samenhangend met het verschil tussen de interpretatie van eigenaar- en beheerderrecht is het verschil tussen het ‘one pocket’ en ‘two pocket’ systeem (Maranz 2001: 41). Wie de overtuiging heeft dat het geld (of de goederen) die hij beheert, hem op geen enkele wijze toebehoren, maar alleen besteed mogen worden aan het precies omschreven doel, zal logischerwijze dit geld apart beheren van zijn eigen geld. Hij heeft a.h.w. het geld in twee verschillende broekzakken. Wie daarentegen meent dat hij als beheerder van het geld ook het recht heeft de bestemming ervan te wijzigen, zal daar waarschijnlijk minder nauw op toezien.

Het is duidelijk dat dit verschil in omgang met geld van een instelling, kerk, enz. waaronder sponsorgelden, gemakkelijk tot conflicten leidt. Waar de Westerse donor ervan uitgaat dat het gegeven geld of goed besteed wordt aan het welomschreven doel, is dat voor de Afrikaanse partner lang niet altijd vanzelfsprekend. De ambulance van het ziekenhuis moet toch ook gebruikt kunnen worden voor de verhuizing van de dominee die in het bestuur van het ziekenhuis zit of een privéreis (veel voorbeelden hiervan zijn te vinden bij Breetvelt (1987: 1-54), waarbij overigens ook een andere visie op gezag en autoriteit meespeelt). Dat de gelden bestemd voor bestrijding van een sprinkhanenplaag die achteraf toch minder ernstig blijkt, niet zonder instemming van de Westerse donor zomaar gebruikt kunnen worden voor de aanschaf van een auto van de kerk, is niet voor elke Afrikaan vanzelfsprekend.

Natuurlijk zijn er al jarenlang contacten tussen Westerse donororganisaties met Afrikaanse partners. Intussen weten veel Westerse organisaties wel dat ze dit goed moeten uitleggen. En veel Afrikanen begrijpen wel iets meer van die Westerse fratsen, maar gesprek hierover blijft zinnig.

4.5 Onderlinge verplichtingen en het ontduiken ervan

Dat in meer collectivistische samenlevingen bezit eerder als toebehorend aan de gemeenschap wordt gezien, wil niet zeggen dat mensen geen persoonlijk bezit willen of proberen te hebben en daarvan willen profiteren. Dit leidt echter tot andere patronen dan in het Westen. Zo wordt in Afrika geld of bezit vaak snel opgemaakt o.a. om niet alles te hoeven weggeven. Als je bijvoorbeeld een huis wilt bouwen, wacht je niet tot je genoeg geld hebt gespaard om dat te doen. Nee, elk beetje geld wordt onmiddellijk geïnvesteerd: dus eerst een lapje grond. Een paar maanden later wat bakstenen en cement, zodat een deel van de muren kan worden gebouwd, enz.

Een ander voorbeeld: In een groot deel van Malawi lijden mensen honger van december tot februari, terwijl men van april tot juni juist veel eet en veel geld uitgeeft. Dat zijn namelijk de oogstmaanden. Dan is er genoeg te eten. Men verkoopt een deel van de oogst en geeft het geld uit aan lekkere en mooie dingen. Veel mensen bewaren dus (bijna) niets voor de hongermaanden die er elk jaar weer aankomen. Tegen die tijd kun je altijd nog aankloppen bij familie of vrienden die nog wel eten hebben. Dat is beter dan zelf maïs te bewaren en iedereen bij jou op de stoep te hebben (Bos 2008: 2).

Westerse buitenstaanders kunnen wel eens verbaasd staan en klagen over hoe snel Afrikanen extra geld van bv. een bonus of de verkoop van een terrein op kunnen maken. Het zou toch beter zijn om te investeren of te sparen. In een arme collectivistische samenleving is het geschetste gedrag echter niet onlogisch. In een arme en onzekere situatie is het vaak maar het beste gelijk uit te geven wat je hebt. Dan kun je het ook niet meer kwijt raken. En als je met anderen deelt, verzeker je je vervolgens weer van hun solidariteit.

  1. Zakelijk en doelgericht of gericht op een goede relatie

Met enkele Afrikaanse vrienden arriveer je in een taxi op je bestemming. Van tevoren hebben jullie duidelijk met de taxichauffeur afgesproken wat zijn prijs is. Nu brengt hij echter zonder duidelijke reden veel meer in rekening. Je protesteert en wilt niet meer betalen. De taxichauffeur wordt boos. Nadat je de taxichauffeur het afgesproken bedrag betaald hebt en de taxi verlaat, gaat hij ook uit de auto om nog eens schreeuwend zijn woede te uiten en om meer geld te eisen. Terwijl je bij de taxi wegloopt, sussen je Afrikaanse vrienden de taxichauffeur en betalen hem nog wat extra.

Dit soort situaties en andere waarbij ondanks duidelijke afspraken iemand meer eist dan waar hij recht op heeft en uiteindelijk daar ook meer uitsleept, ken ik uit eigen ervaring (en die van anderen) in Afrika. Waarom zeggen Westerlingen vaak gemakkelijker: afspraak is afspraak en geven Afrikanen kennelijk gemakkelijker toe?

Dit heeft alles te maken met de waardering van de verhouding tussen zaak en persoon. In het algemeen zou je kunnen zeggen dat veel Afrikanen ook in geldzaken in de eerste plaats gericht zijn op een goede relatie, terwijl veel Westerlingen de situatie zakelijker bekijken. Het eerste is te zien als een aspect van collectivisme en het tweede als een aspect van individualisme. Hoe collectivistischer een samenleving, hoe belangrijker persoonlijke relaties zijn. Hoe individualistischer een samenleving daarentegen is, hoe meer men focust op de inhoudelijke of zakelijke kant van de zaak. Ik noem dit in deze paragraaf het verschil in zaak- of doelgerichtheid tegenover relatiegerichtheid. Ik ga na wat dit verschil in gerichtheid betekent voor de omgang van veel Afrikanen en Westerlingen met geld en relaties.

Hieronder opnieuw een tabel met verschillende waarden en gedragslijnen in de omgang met geld en bezit in respectievelijk een meer zaak- en doelgerichte en een meer relatiegerichte samenleving. Deze woordparen werk ik in het vervolg verder uit.

Tabel 2: Belangrijke waarden en gedragslijnen in de omgang met geld en bezit in respectievelijk een meer zaak- en doelgerichte en een meer relatiegerichte samenleving.

Zaak- en doelgericht Relatiegericht
Instituten Relaties
Gerechtigheid en barmhartigheid voor iedereen Persoonlijk gerichte barmhartigheid 
Algemeen belang Belang van de eigen gemeenschap

 

Financiële verantwoording vragen Confrontaties uit de weg gaan 
Doodzonden: corruptie en diefstal Doodzonden: een ander te schande maken en een gebrek aan generositeit 

 

 

5.1 Instituten en relaties: liefdadigheid en gastvrijheid

Hoewel ik het hiervoor al verschillende keren heb gehad over de grote Afrikaanse solidariteit, wil ik daarmee niet zeggen, dat Westerlingen perse minder vrijgevig zijn. Per jaar wordt alleen in Nederland al meer dan een miljard Euro opgehaald voor goede doelen. Daarbij komt dat ook een fors deel van ons belastinggeld niet in de eerste plaats bestemd is voor ons eigen welzijn, maar voor dat van anderen, bv. in de Derde Wereld. Toch hebben Afrikanen nogal eens het beeld dat Westerlingen gierig zijn of niet gemakkelijk hun geld afstaan.

Hier speelt het verschil in zaakgerichtheid of relatiegerichtheid een grote rol. Maranz omschrijft het verschil als volgt: ”Afrikanen zijn eerder gastvrij dan dat ze aan liefdadigheid doen… Westerlingen doen eerder aan liefdadigheid dan dat ze gastvrij zijn.” (Maranz 2001: 75-76) Het intieme sociale leven van veel Westerlingen – waar voor hen dan meestal ook de maaltijd toe behoort – is beperkt tot een kleine cirkel. Tegelijkertijd strekt hun liefdadigheid zich vaak letterlijk uit tot aan het andere eind van de wereld. Veel Afrikanen zijn juist enorm gastvrij. Mensen die onverwacht langskomen rond etenstijd zijn welkom aan tafel. Algemeen (onpersoonlijk) liefdadigheidswerk kan daarentegen op veel minder steun rekenen.

Dit verschil is direct af te leiden uit het verschil in oriëntatie op zaak of op individu. Wie bijvoorbeeld wil dat ‘de armen’ geholpen worden, zal willen dat dat goed georganiseerd en gecoördineerd wordt. Er moeten heldere doelstellingen geformuleerd zijn, het project moet gevolgd worden en aan het eind worden geëvalueerd. Wie zich daarentegen in de eerste plaats richt op de relaties die hij of zij al heeft, zal zich (allereerst) richten op hun individuele welzijn en de eventuele hulp die zij daarvoor nodig hebben.

Hierin speelt met andere woorden ook een verschil in visie op de naaste of de medemens mee. In het Westen wordt die – ondanks de concreetheid van het woord ‘naaste’ – vaak abstract begrepen. Je naaste kan iedereen zijn. Zo heet de organisatie waar ik voor werk: De Verre Naasten. Een bewuste contradictio in terminis. In het Westen is door het christendom en versterkt door de Verlichting een universaliteitclaim ontstaan: alle mensen zijn gelijk (voor God en/of voor elkaar) en hebben dezelfde rechten en plichten. Hebben dus ook recht op dezelfde hulp. Deze universaliteitclaim is nog eens fors versterkt door langdurige politieke stabiliteit en vrede. Wat eeuwenlang beleden is, kan nu ook uitgeleefd worden. (Hoewel we nu zien dat in tijden van economische crisis en politieke onrust deze universaliteitgedachte in de samenleving aan kracht lijkt af te nemen.)

Afrika daarentegen kent dit universaliteitdenken niet op deze manier. Niet naar ‘de mensen’ in het algemeen gaat de zorg, maar veel eerder naar degenen die letterlijk naaste zijn. Daarbij komt dat de politieke en economische situatie zo onzeker zijn dat mensen minder gemakkelijk hun liefdadigheid en zorg uitstrekken naar alle mensen. Men heeft aan de eigen mensen al genoeg.

5.2 Instituten en relaties: van wie leen je?

De gerichtheid op instituten of relaties heeft ook andere consequenties voor de omgang met geld en goed. M.n. als het gaat om geld lenen komt deze gerichtheid weer in beeld. Westerlingen verbazen zich nog al eens over de hoeveelheid leningen die Afrikanen hebben en hoeveel geld zij uitgeven. “Ze geven veel meer uit dan ze zich kunnen veroorloven”, heb ik nogal eens horen zeggen. En inderdaad, veel Afrikanen lenen meer dan ze ooit kunnen terugbetalen. Dat hangt uiteraard ook samen met de stelling uit de vorige paragraaf dat in een collectivistische cultuur bezit meer als gemeenschappelijk wordt gezien. De druk om terug te betalen wordt dan minder groot.

Er zit ook nog een andere kant aan. Veel Westerlingen die vrienden of familie met geld hebben, vinden het toch prettig om geld te lenen bij de bank. Daar is de bank voor. Daar kun je zakelijke (!) afspraken mee maken en dat zit persoonlijke relaties dus niet in de weg. Veel Westerlingen kopen ook veel meer dan ze zich – in elk geval op dat moment – kunnen permitteren. Maar weinig mensen zouden bijvoorbeeld een huis kunnen kopen als ze het hele bedrag zelf op tafel moesten leggen. Toch worden veel huizen verkocht, omdat banken voorzien in hypotheken. In Afrika zijn de banken maar voor weinig mensen toegankelijk. Bovendien, als je geld nodig hebt, waarom zou je dat bij een instituut lenen, waar je geen persoonlijke relatie mee hebt? Is het niet veel beter naar een vriend te gaan? Is dat niet veel betrouwbaarder? In het Westen dienen banken het algemeen belang en zijn in principe voor iedereen toegankelijk, terwijl in Afrika vaak geleend wordt aan bekenden in het belang van de eigen gemeenschap.

5.3 Financiële verantwoording vragen of de confrontatie vermijden?

Zoals al eerder vastgesteld (paragraaf 3.4 Afspraken en ambiguïteit), geven Afrikanen in vergelijking met Westerlingen vaker de voorkeur aan ambigue flexibele afspraken, die ruimte bieden om per situatie anders te reageren. Dit komt ook tot uiting in de omgang met geld. Dat is echter niet alleen verbonden aan de onzekerder levenssituatie van veel Afrikanen, maar ook aan hun grotere gerichtheid op de relatie tegenover een grotere gerichtheid op de zaak van veel Westerlingen.

Westerse donors (persoonlijke of organisaties) lopen hier nogal eens tegenaan. Westerlingen willen weten waar hun geld, gegeven voor een bepaald doel, blijft. Is het besteed aan het bestemde doel? Is het bij de juiste mensen terecht gekomen? In het Westen is het volkomen normaal om financiële verantwoording te vragen en af te leggen over beheerde fondsen. In Afrika wordt dit ook meer en meer normaal, maar het kan soms nuttig zijn om te bedenken dat dit vooral (alleen?) onder invloed van het Westen is gebeurd. Voor veel Afrikanen spreekt een uitgebreide verantwoording nog niet altijd vanzelf. Meermalen – m.n. ook in kerkelijke situaties – heb ik meegemaakt of van anderen gehoord hoe op de vraag over financiële rapportage werd gereageerd in de trant van: “maar vertrouwen jullie ons niet dan?” of “we zijn toch broeders en zusters?” Om dit gelijk af te doen als bewijs van corrupt denken en doen is te kort door de bocht.

5.4 Doodzonde: diefstal & corruptie versus gebrek aan generositeit & een ander te schande maken

De moeite om te vragen naar financiële verantwoording of juist de vanzelfsprekendheid ervan hangt samen met wat men als de grootste waarden en ondeugden ziet. Voor veel Westerlingen is diefstal bijna een doodzonde. Om elke schijn daarvan te voorkomen is goede controle noodzakelijk. Wie toch diefstal pleegt, of de schijn op zich laadt, staat maatschappelijk buiten spel. Ook Afrikanen keuren diefstal sterk af. Toch is er voor velen iets dat als nog erger wordt gezien: gebrek aan generositeit en het te schande maken van een ander. Het lijkt in Afrika eerder uitzondering dan regel dat na een fraudezaak de fraudeur wel uit zijn functie wordt ontheven, maar er geen of nauwelijks pressie wordt uitgeoefend om het verdwenen geld terug te betalen (Maranz 2001: 111-112). Presidenten waarvan algemeen wordt aangenomen dat ze corrupt zijn, mogen toch nogal eens aanblijven.

Veel problematischer vindt men vaak de andere kant: fouten aan de kaak stellen, of mensen ter verantwoording roepen. In de beleving van veel Afrikanen zit daar al gauw iets asociaals in: je zet iemand in zijn hemd en maakt iemand te schande. En dat is verkeerd, want zo laat je zien dat geld en goederen voor jou belangrijker zijn dan de persoon die het aangaat. Er zijn nogal wat ontwikkelingswerkers en zendelingen geweest die in Afrika niet langer welkom waren nadat zij de regering of hun partner nadrukkelijk (en vaak ook openbaar) ter (financiële) verantwoording riepen.

  1. Samenvatting en conclusie

In dit artikel heb ik geprobeerd in kaart te brengen hoe veel Afrikanen anders met geld en persoonlijke relaties omgaan dan veel Westerlingen gewend zijn, met als doel meer wederzijds begrip te creëren. Ik heb geschetst hoe de economische doelen in Afrika en het Westen van elkaar verschillen. In Afrika is het doel om samen te overleven, in het Westen is dat vooral de persoonlijke ontplooiing van het individu. Een arm en onzeker bestaan lijkt beter te passen bij een collectivistische samenleving, terwijl een rijker en zekerder bestaan leidt tot een meer individualistische samenleving (paragraaf 2). In een arme collectivistische samenleving hebben vriendschap en geld alles met elkaar te maken. Dit in tegenstelling tot een rijke individualistische samenleving. Ook worden in de laatste samenleving prioriteiten en afspraken veel helderder gesteld dan in de eerste (paragraaf 3). Het grote belang dat aan de gemeenschap of juist aan het individu wordt gesteld bepaalt mede de visie op bezit. Is bezit min of meer collectief (en dus toegankelijk voor iedereen) of strikt individueel? Mag het beheren van bezit van een ander dus vermengd zijn met het beheer van eigen geld, of moet dat strikt gescheiden worden (paragraaf 4)?

In een meer collectivistische samenleving is de persoonlijke relatie vaak belangrijker dan de zaak. In een meer individualistische samenleving is dat precies andersom. Waar relaties belangrijk zijn, zijn instituten dat minder, terwijl in (individualistiche) samenlevingen, waar men meer zaak- of doelgericht is, men het aan juist instituten toevertrouwt persoonlijk gestelde doelen te bereiken. In een meer doelgerichte samenleving is het vragen van verantwoording prima, terwijl in een meer relatiegerichte samenleving de relatie en daarmee de goede naam van de ander voorop staat (paragraaf 5).

Hoewel het aangeven van deze verschillen gemakkelijk tot een wij-zij denken kan leiden, is dat zeker niet mijn bedoeling. Nadrukkelijk wordt in dit artikel vaak gesproken over veel Afrikanen en veel Westerlingen. Iedere situatie vraagt haar eigen waarneming en beoordeling.

De bedoeling van dit artikel is wel om de lezer alert te maken op mogelijke verschillen. Zaken die voor Westerlingen evident zijn – het afleggen van financiële verantwoording, two pockets systeem, vriendschap en geldzaken zijn gescheiden, enz. – zijn dat voor veel Afrikanen niet. Andersom is dat net zo. Door dit in het oog te krijgen, kan zorgvuldige communicatie worden bevorderd en nagegaan worden of de verwachtingen die leven bij een Afrikaan of Westerling ook voor de ander voor zich spreken. Ook hoop ik dat verschil van omgang met geld en relaties zo meer bespreekbaar wordt en dat aan een verschil van omgang minder snel een moreel waardeoordeel wordt verbonden.

Ook met dit artikel zelf wil ik geen antwoord geven op de vraag welke manier van omgang met geld en relaties beter is. Het gaat mij er in dit artikel geenszins om een Afrikaanse omgang met geld en relaties te verheerlijken. Corruptie, buitensluiting van mensen zonder netwerk, economische stagnering hangen nauw samen met de waarden van een collectivistische samenleving. Zoals kille verzakelijking, economische uitsluiting en onverschilligheid voor de nood van de directe omgeving samenhangen met de waarden van een individualistische samenleving. Generaliserende waardeoordelen lijken mij weinig vruchtbaar. Veel zinvoller lijkt het mij dat in elke situatie van (ontwikkelings)samenwerking of zending met wederzijds begrip en respect – en dus ook met benoeming van eventuele verschillen – gezocht wordt naar een gezamenlijke doelstelling voor de samenwerking tussen de partners.

 

Literatuur

Bos, M. (2008) ‘Krediet of maïscrisis? Voedsel uitdelen’. In: Liebenzell Mission Nederland, Zending in de schijnwerpers 3, 1-3.

Breetveld, J.N. (1987). Dualisme en integratie: een studie van de factoren die een rol spelen bij het hervinden van identiteit bij opgeleide Afrikanen. Kampen: Kok.

Hofstede, G. (1991). Allemaal andersdenkenden: omgaan met cultuurverschillen. Amsterdam: Olympus/Contact BV, 17e druk (2004).

Maranz, D. (2001). African Friends and Money Matters: Observations from Africa. SIL International and International Museum of Cultures Publications in Ethnography 37, Dallas, Texas.

Volkskrant, 21 juli 2001. Geraadpleegd februari 2010 via: http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article897101.ece/Persoonlijk_AD_PAES

 

(Artikel in Radix-nr.1-0310 16-03-2010 )

10 thoughts on “‘Altijd dat gezeur om geld’ – Hoe en waarom veel Afrikanen heel anders omgaan met bezit, geld en vriendschappen dan veel Westerlingen gewend zijn

  1. Beste Bram,

    Wat een interessant artikel.

    In relatie met een Afrikaanse man (Marokko) loop ik inderdaad vaak tegen het verschil in onze achtergronden op.
    Je benoemt precies de punten die (regelmatig) tot wrijving leiden in ons contact.

    Ik denk dat deze informatie me (ons) kan helpen in een beter begrip van elkaar.

    Met vriendelijke groet,

    Renée

  2. Hallo Bram,
    Een degelijk artikel over geld in Afrika. Ik heb zelf jaren in Zuid-Afrika gewoond en het komt me dus allemaal bekend voor. Nu heb ik een taalmaatje uit Sierra-Leone. Ook bij haar herken ik veel, maar zij vraagt mij nooit direct om geld zoals in Zuid-Afrika. Ze wil het altijd in termijnen terug betalen. Meestal schenk ik het maar. Af-spraken maken gaat mij niet zo goed af. Misschien ook mijn afrikaanse opvoeding?
    Klopt het dat je ook op Guido de Bré les hebt gegeven? Dan heeft mijn dochter Tessa bij jou in de klas gezeten. Ze vond je een fijne leraar en dat zei ze niet van elke leraar. Sterkte met je opleiding. Lijkt me ook erg interessant. Zelf heb ik de opleiding OGG gedaan.
    Groeten, Reinie van der Woude

    • Hoi Reinie,
      Beetje laat, maar leuk om te horen dat je het herkent. Ik heb inderdaad ooit op de GdB lesgegeven. Ik moest het vak daar echt nog leren, dus bijzonder om te horen dat Tessa daar toch iets van gewaardeerd heeft.

  3. Goed artikel. Ik merk dit schurende verschil dagelijks met mijn Kaapverdiaanse vriend. Het zit m ook in de leven-met-de-dag mentaliteit. En dat ze vaak geen maandinkomen hebben. Hij ziet dat ik 1x per maand een smak geld krijg. Als ik zeg dat ik geen feest kan geven want daar heb ik t geld niet voor, lacht hij. Dat heb je wel. Maar hij snapt niet dat daar de huur, gas, verzekeringen etc allemaal nog van af gaat. Het levert heel veel frictie op. Terwijl hij op zijn beurt zijn daggeld opmaakt en als ie de volgende dag zijn kunst niet verkoopt gewoon niks te eten heeft. Sparen zit echt niet in t systeem.

    • Lastig inderdaad om dan samen te leven. Misschien helpt het ook wat als jullie er iets van begrijpen waarom je zo verschillend bent. Sterkte!

  4. Dank je wel Bram, een heel waardevol artikel. Ik ben sinds 2011 meer bij Afrika betrokken, sponsoring van projecten, het neerzetten van mijn werk als coach en therapeut en heb er 1 jaar gewoond. Ik zou willen dat ik dit eerder had geweten. Liefs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website